Edward Kennedy Ellington werd geboren op 29 april 1899 in Washington D.C.in een burgerlijke middenstandsfamilie. Zijn vader was een tijdje ober op het Witte Huis om daarna een cateringsbedrijf op te starten. Zijn eerste pianolessen kreeg hij van zijn moeder. Zijn opvoeding drukte ook zijn stempel op zijn latere karakter, want hij stond bekend voor zijn ijdelheid en zijn uitermate autoritaire manier van omgaan met zijn bandleden en zelfs met zijn eigen familie. Vanwege zijn deftige verschijning werd hij al in zijn jeugd door zijn klasgenoten “Duke” genoemd en die naam streelde zodanig zijn ijdelheid dat hij hem voor de rest van zijn leven meedroeg. Zijn carrière als professioneel musicus begon op 17-jarige leeftijd. Toen hij 24 was sloot hij zich aan bij de groep van Elmer Snowden, maar wegens interne problemen gebeurde er een herschikking en werd Duke leider van de band “The Washingtons”. Ze toerden tot 1927 als dansorkest door New England (=uiterste noord-oosten van de Verenigde Staten), maar toen de destijds beroemde King Oliver teveel geld vroeg voor de Cotton Club in New York, verving hij hem als huisorkest. Als “Duke Ellington and his Jungle Band” verwierf hij nationale bekendheid door radio-uitzendingen die gemaakt werden in de Cotton Club. Hij vertrok daar in 1931 en produceerde veel werk voor platenstudio’s en filmstudio’s en toerde veelvuldig door de US en Europa. Hij bereikte zijn hoogtepunten in de jaren veertig en werkte samen met ontelbare gereputeerde instrumentalisten. Zijn muzikale invloed op andere uitvoerders en artiesten is onmetelijk. Hij overleed aan een longontsteking op 24 mei 1974. Zijn meest bekende composities waren: Take the A Train, Satin Doll, East St. Louis Toodle-Oo, Rockin’in Rythm, Mood Indigo, Caravan, Sophisticated Lady, Creole Love Call, In a Sentimental Mood. Diverse muzikanten hebben hem eer betoond met een song of een lp: Dave Brubeck met “The Duke”, Stevie Wonder met “Sir Duke”, Miles Davis met “He Loved Him Madly”, Steely Dan met “East St.Louis toodle-oo” en Joe Jackson wijdde een hele lp aan hem “The Duke”.
Op regelmatige tijdstippen lees ik dat sommige mensen zich ergeren dat er weinig of geen democratie meer is binnen de regering. Mag ik hierbij opmerken dat er in de loop van de geschiedenis nog nooit democratie geweest is en nu dus ook niet. De slimme truc waarmee het gewone volk in ons schijnbaar democratisch systeem buitenspel gezet wordt is het wegmoffelen van macht in instellingen die door de elite gemonopoliseerd wordt en waarvan het personeel niet democratisch verkozen wordt, maar benoemd wordt op basis van hogere afkomst, universitaire diploma’s en/of connecties. Zo is het met de senaat, opperste gerechtshoven, diplomatieke korpsen, hogere leger- en politieleiding. Voorbeelden zijn legio, de recentste: Anciaux die niet op een kieslijst stond bij de laatste verkiezing, zit wel in de senaat; agent die waarschuwingsschot lost in de lucht wordt gestraft niettegenstaande hiervoor geen richtlijn was die dat verbiedt; rechter die niet in het rijtje loopt wordt handig gebroodroofd door in zijn privé-leven te neuzen (SM-rechter); asielzoekers worden zomaar gedropt in een weinig bevolkte gemeente van slechts 1300 inwoners (weinig volk, weinig weerstand zo wordt gedacht). En de kers op de taart is Europa, een instelling waarbij het volk nergens in Europa geraadpleegd werd via referendum (want die dommeriken weten toch niet wat goed voor hen is aldus premier Dehaene destijds). Europa was helemaal een onderonsje om mekaar ook te bedienen. Het verdrag van Lissabon werd er dan ook doorgedrukt. Idem Marrakesh akkoord eind verleden jaar.
En als er lastigaards moeilijk beginnen doen, bedienen ze zich van de “slapp-proces-methode”. De afkorting van Strategic Lawsuit Against Public Participation, is een rechtszaak die aangespannen wordt, niet om recht te halen, maar met het oogmerk om een kritische partij te intimideren en met hoog oplopende gerechtskosten kapot te procederen.
Ze zijn erop gericht om burgerbewegingen, bloggers, columnisten, wetenschappers, klokkenluiders, schrijvers, onderzoekers en journalisten te doen afzien van het gebruik van hun rechten, met name: de vrije meningsuiting, persvrijheid, vrijheid van wetenschappelijk onderzoek en vrijheid van maatschappelijke participatie.
Een recent voorbeeld hiervan is het geding dat Johan Vande Lanotte aangespannen heeft tegen de schrijver van het boek: “De keizer van Oostende”. Momenteel heeft diezelfde schrijver een tweede geding op zijn palmares met het boek: “De illegale Ghelamco Arena” met als ondertitel: “Als politici zich met voetbal bemoeien”.
Achter de schermen worden ook de banden in aangename sfeer aangehaald in “culturele clubs” zoals Rotary, Lions of Kiwanis, waar de gewone man nooit binnengeraakt want ge moet voorgedragen worden door een peter. Daar worden ook zaakjes geregeld die liefst voor de buitenwereld verborgen blijven. Op deze manier kunnen ook postjes geregeld worden zoals bij erfenissen waarbij zonen minister kunnen worden in opvolging van de vader.
En heeft nog niemand stilgestaan waarom de spitstechnologische hoogstandjes om achterpoortjes te creëren waardoor de echte rijken kunnen ontsnappen, in stand gehouden worden? Waarom deze niet gesloten worden, begrijp je beter als ge weet dat wetten in mekaar gebokst worden in commissies waarin gelobbyd wordt tegen 100 per uur door topadvocaten die daarvoor ingehuurd worden door de elite.
Wat ook belangrijk is dat de gewone man niet teveel tijd over heeft om na te denken, dus zorgen ze ervoor dat hij weinig verdient en meer uren moet kloppen om een deftig loon bij mekaar te harken om zijn kroost een woonst en eten te verschaffen. En als er dan toch nog vrije tijd over is, geef hem brood en spelen zoals voetbal en wielrennen, de volkse sporten.
En als ze toch nog kritiek uiten op politici en hun supporters, zeggen ze steevast de volgende dooddoener: “als gij het dan allemaal zo goed weet, waarom geeft gij u niet aan om op te komen bij de verkiezingen”, goed wetende dat een gewone burger toch geen kans maakt om op een verkiesbare plaats op een lijst van politieke partijen te komen. Ik vind zo’n gezegde zelfs ronduit denigrerend. Kijk nu ook naar het politieke gekonkel om de traditionele partijen (de verliezers) toch maar opnieuw in het zadel te helpen omdat de VB en NVA onbetrouwbaar zijn in hun ogen. VB zal nooit in een regering opgenomen worden wegens te volks en te gevaarlijk voor de elite. De elite organiseert liever zelf “vrijgevigheid” door goede doelen te sponsoren om hun gezicht te redden en om geen risico te lopen dat elke verandering in de maatschappij hen schade zou toebrengen. Ze zijn toch zo goed meneer, zie volgende maand hoe ze hun gezicht weer zullen redden bij de “warmste week” en de domme kloot weer in het ootje nemen.
Solomon Burke was een Amerikaanse soulzanger. Hij is een van de muzikanten die aan de wieg stonden van de soulmuziek.
Alhoewel hij nooit grote hits heeft gehad zijn een aantal van zijn nummers uitgegroeid tot klassiekers, die meerdere malen zijn uitgevoerd door andere artiesten. “Everybody Needs Somebody to Love” is hiervan waarschijnlijk de bekendste.
Burkes wortels lagen in de gospel. Hij zong in een kerkkoor, preekte op jonge leeftijd al in zijn kerk in Philadelphia en presenteerde een gospelprogramma op de radio. Tussen 1954 en 1958 nam hij enkele gospelnummers op voor het label Apollo. In 1960 werd hij ontdekt door producer Jerry Wexler en tekende hij een contract bij Atlantic Records. Zijn eerste singles waren covers van countryliedjes als “Just Out of Reach“. Door gospel te mengen met de toen populaire muziekstijl R&B legde hij de basis voor soulmuziek.
Hij had in de jaren zestig wel enkele grote R&B-hits, maar wist niet door te breken tot het grotere poppubliek, wat andere soulzangers (Aretha Franklin, Otis Redding, Sam Cooke) wel lukte. Enkele R&B-hits uit die tijd waren onder andere “Cry To Me“, “If You Need Me“, “Got To Get You Off My Mind” en “Tonight’s The Night“. “Everybody Needs Somebody to Love” uit 1964 was mogelijk zijn bekendste nummer: het werd datzelfde jaar nog gecoverd door de Rolling Stones op een van hun eerste albums en kreeg ook bekendheid in de versies van Wilson Pickett en The Blues Brothers. In ’64 werd hij ook door een diskjockey uitgeroepen tot de “King of Rock and Soul“. In 1969 scoorde hij zijn grootste hit met een cover van “Proud Mary” van Creedence Clearwater Revival.
Eind jaren zestig verliet Burke Atlantic. In de jaren zeventig, tachtig en negentig bracht hij onregelmatig muziekalbums uit. Deze albums werden echter enkel goed ontvangen bij enkele muziekliefhebbers en niet bij het grote publiek. Regelmatig gaf hij dan ook in deze tijd aan de muziekindustrie vaarwel te zeggen. Wel had hij in 1986 een kleine hit met “A change is gonna come“, oorspronkelijk van Sam Cooke. Dit nummer werd ook in Nederland een kleine hit. Ook was hij te zien in de film The Big Easy uit 1987.
In 2002 maakte Burke een comeback: Andy Kaulkin, de eigenaar van Fat Possum Records, haalde hem over een album op te nemen met nummers geschreven door enkele bewonderaars. Met het resulterende album, Don’t Give Up On Me, wist hij een nieuw publiek te bereiken. Enkele van de artiesten die een nummer hebben geschreven voor het album zijn Bob Dylan, Elvis Costello, Tom Waits, Van Morrison, Nick Lowe, Brian Wilson en Dan Penn. Het album was geproduceerd door Joe Henry. Don’t Give Up On Me won een Grammy Award voor beste bluesalbum en werd door verscheidene muziektijdschriften (onder andere Mojo, OOR en Rolling Stone) beschouwd als een van de beste albums van het jaar. In 2003 trad Burke op zowel Pinkpop als North Sea Jazz op en nam hij het nummer “Catch Up To My Step” op met Junkie XL, en in 2004 volgde het duet “Devil in me” met de Italiaanse zanger Zucchero op diens duetalbum “ZU & Co”. Sinds 2005 had hij een Nederlandse bassist: Aaldert van Weelden.[1]
Burke stond aan het hoofd van een zeer grote familie. In mei 2009 had hij 21 kinderen (14 dochters en 7 zonen), 90 kleinkinderen en 20 achterkleinkinderen. Behalve zanger was hij ook werkzaam als predikant en was hij eigenaar van onder andere een eigen kerk en een keten van begrafenisondernemingen. Burke zong tevens mee in het nummer “Het moet en het zal”, door hem geschreven en vertaald door Huub van der Lubbe van De Dijk op de cd “Brussel” uit 2008.
Tijdens het laatste optreden in Nederland, op 8 augustus2010, was al een duidelijk verzwakte Burke te zien. Het gehele optreden tijdens Folkfestival Dranouter bleef hij op een gouden troon zitten. Ook het decor werd aangepast, zodat het publiek niet kon zien hoe men hem van het podium haalde.
Eind jaren vijftig, begin jaren zestig waren vele sessiemuzikanten actief in studio’s van o.a. New York, Nashville, Memphis, Detroit en Muscle Shoals, tot Los Angeles, waar de Wrecking Crew opereerde. De zwarte muziekscene hadden hun eigen studiocollectief, namelijk The Funk Brothers voor het Motown-imperium van Berry Gordy. Bij de American Sound Studio hadden ze The Memphis Boys.
In de jaren zestig had de meer-sporen opnameapparatuur (multi-tracking) veel minder mogelijkheden dan tegenwoordig. De instrumentale backing-tracks (beginopnames voor een nummer, gewoonlijk bestaand uit ritmesectie met basgitaar, waaraan later de andere instrumenten worden toegevoegd) werden vaak “hot” opgenomen met een groep muzikanten die live in de studio speelde. De muzikanten moesten op afroep beschikbaar zijn zodat producenten op het laatste moment nog aan-, in- of opvullingen konden toevoegen.
Omdat Pete Best niet de allerbeste drummer was, werd hij bij de Beatles vervangen door Ringo Starr voor de vaste bezetting. Zelfs Ringo werd bij latere opnames en/of live-optredens af en toe vervangen door een sessiemuzikant onder andere door Andy White, Jimmy Nicol (wegens ziekte Ringo). Voor de eerste opnames in Duitsland als begeleider van Tony Sheridan werd Pete Best ook vervangen door Bernard Purdie.
Wie snuffelt op lp’s en cd’s naar de begeleidende bezetting van de artiesten zal merken dat dikwijls dezelfde namen terugkeren.
Bij de Wrecking Crew waren de bekendste namen per discipline die veel gevraagd werden:
Drums = Hall Blaine, Jim Keltner, Earl Palmer; Gitaar = James Burton, Glen Campbell, René Hall, Carol Kaye, Dr. John, Tommy Tedesco; Toetsen= Leon Russell, Larry Knechtel, Jimmy Webb; Basgitaar = Carol Kaye, Larry Knechtel; Sax en fluit = Jim Horn.
Bij de Funky Brothers waren de bekendste:
Drums = Benny Benjamin, Uriel Jones, Richard Allen; Gitaar= Eddie Willis, Joe Messina, Robert White; Basgitaar = James Jamerson, Bob Babbitt; Toetsen = Earl Van Dyke, Joe Hunter.
Bij de Memphis Boys waren het:
Drums = Gene Chrisman; Gitaar = Reggie Young; Toetsen = Bobby Wood, Bobby Emmons; Basgitaar = Mike Leech, Tommy Cogbill.
Studiomuzikanten zijn dikwijls onderschatte talenten. Een voorbeeld hiervan is Steve Cropper een bekende naam die ik een beetje mis in uw lijstjes.
Hij is gitarist, componist en producer en werkte voor Stax Records van 1961 tot 1970. Als studio- en sessiemuzikant was hij medeoprichter van Booker T and the MG’s en scoorde met nummers als Green Onions en Pass the Peas. Hij schreef samen met Eddy Floyd de hit Knock-out on Wood. Componeerde mee In the Midnight Hour van Wilson Pickett en Dock of the Bay van Otis Redding die omkwam in een vliegtuigcrash terwijl het nummer nog niet af was. Cropper kreeg opdracht van de platenfirma om het nummer onmiddellijk af maken zodat zij het nog binnen de week na de dood van Otis konden uitbrengen. Het werd zoals verwacht een monsterhit. Zo zie je maar de een zijn dood is letterlijk de ander zijn brood. Mick Jagger vindt het één van de beste songs mede door zijn eenvoud en had graag zo een song op zijn palmares gehad. Als gitarist eindigde Steve Cropper nog tweede op een all time ranking na Jimi Hendrix.
Ja, Glen Campbell en Dr.John (Mac Rebennack) hebben NADIEN ook een eigen carrière uitgebouwd zoals Cropper met zijn Booker T & the MG’s, maar bij mijn weten heeft Steve Cropper VOORDIEN nooit meegespeeld in een studiocollectief van steeds wisselende onafhankelijke huurlingen. Alle leden van de drie voornoemde groepen schreven ook geen liedjes, zoals Cropper wel deed, maar fungeerden louter als muzikanten op aanvraag zonder meer. Soms leverden ze een bijdrage (zoals een riff en dan denk ik aan Carol Kaye) maar werden als tekstschrijver of componist nooit vermeld. Daarom dat ik deze mensen eens “in the picture” wilde zetten, want voor de doorsnee muziekliefhebber waren ze (en zijn ze nu nog) onbekend. Dat kan niet gezegd worden van Cropper, die als auteur mee vermeld stond op de hoes en vinylplaat. En over de benaming “onderschat”, valt ook te discussiëren in het geval van Cropper.
Murray Sayle, journalist voor de Sunday Times die Philby interviewde na zijn bekentenis dat hij dubbelspion was ten voordele van de USSR merkte de overeenkomsten op tussen beide spionnen: beiden waren journalist, kinderen van expatouders en als jongvolwassene in de ban geraakt van het communisme. Het mechanisme schijnt bij beiden vrijwel hetzelfde geweest te zijn: na de constatering dat alcohol onmiddellijke vriendschap betekent, en een bar de ideale plaats is om informatie los te krijgen – en de ontdekking, die veel dronkaards hebben gedaan, dat drank directe verlichting van knagende angst biedt – gingen de twee spionnen aandacht trekken met hun gedrag in de veronderstelling dat niemand zou denken dat openlijk vertoon een vorm van camouflage is. Beide spionnen kregen als eerbetoon een postzegel in de Sovjet-unie. Philby in 1990. Sorge in 1965.
Sorge informeerde over de aanval in Pearl Harbor, maar Stalin hield de info bewust achter voor de Amerikanen. Via zijn contacten op de Duitse ambassade in Tokio kwam hij gedetailleerde informatie te weten over Operatie Barbarossa, de Duitse aanval op de Sovjet-unie. Hij wist de exacte dag en uur van de Duitse aanval op Rusland door te spelen. Maar omwille van het met Hitler gesloten niet-aanvalspact vond Stalin het ongeloofwaardig en de chef van de militaire inlichtingendienst volgde hem hierin lijdzaam en verdraaide de verkregen info van Sorge om Stalin terwille te zijn. Sorge verloor daardoor zijn vertrouwen in de sovjetleiding en ging nog meer drinken.
Volgens Wikipedia baseerde Ian Fleming, de schrijver van de James Bond boekjes, zich op vier verschillende personen voor zijn personnage, in ieder geval geen Philby noch Sorge. En ook niet op Lionel Crabb, een officier in de marine-inlichtingendienst die Fleming zeer goed gekend heeft en naar de Sovjet-Unie gestuurd werd als dubbelspion van MI6. Zijn dood, totaal onbekend, wordt het Crabb-mysterie genoemd en was de inspiratie voor het plot van Thunderball, waarin Bond de romp van de Disco Volante gaat onderzoeken, het jacht van Emilio Largo. Sorge kon ook zo in de schoenen van Bond gestapt hebben: hij creëerde de indruk van een playboy, een nietsnut te zijn die er maar op los leefde, het absolute tegendeel van een scherpe en gevaarlijke spion. In ieder geval heeft Fleming zijn inspiratie opgedaan tijdens zijn carrière in de Britse geheime dienst, en zijn creatie was een mengelmoes van gebeurtenissen en mensen, die hij kende, om de James Bond-held te boetseren. Het succes van zijn boekjes explodeerde na het uitbrengen van de eerste film Dr.No. Toeval of niet, dezelfde tijd toen het Profumo spionnage schandaal losbarstte, het zal in ieder geval bijgedragen hebben tot het boom-effect op de verkoop van zijn boeken.
Kim Philby vluchtte na zijn bekentenis in Libanon tegen zijn beste vriend John Elliott naar Rusland, waar hij een rustige oude dag doorbracht en op 76-jarige leeftijd stierf in 1988. Hij wordt ook beschouwd als de vierde mol in het Christine Keeler schandaal, waar ook spionnage ten voordele van de Sovjet-Unie de val betekende van minister Profumo. Londen stond toen op zijn kop en Premier Harold Macmillan heeft Philby toen vrijgepleit van schuld, ten onrechte zoals later bleek.
Sorge won het vertrouwen van het Duitse ambassade personneel in Tokio. Paul Wenneker werd zijn meest toegewijde drinkebroer en informant. Ambassadeur Eugen Ott had zo’n onwrikbaar vertrouwen in Sorge dat niks Richard verontrustte. Na zijn ontmaskering eind 1941 door onderschepte berichten van de Japanse inlichtingendienst, bracht hij twee jaar in hechtenis door, terwijl hij stevig ondervraagd werd. Uiteindelijk werd hij in 1944 in Tokio opgehangen.
Het belang en de verdienste van Sorge’s spionnage-activiteiten heeft Stalin de volstrekte zekerheid gegeven dat hij niet moest vrezen dat de Japanners in het oosten een tweede oorlogsfront zouden openen. Dit gaf hem de mogelijkheid om al zijn troepen te concentreren in het westen om Hitler te stoppen en tegelijkertijd de tegenaanval in te zetten. Sorge’s bijdrage was aldus bepalend voor de afloop van de tweede wereldoorlog. Zeggen dat D-Day het keerpunt was, is dus totale onzin; de gealllieerden hebben alleen belet dat de Russen heel Europa onder de voet zouden gelopen hebben. Tenandere uit onlangs vrijgekomen documenten is gebleken dat Stalin tijdens het ondertekenen met Hitler van het niet-aanvalspact, zelf al een aanvalsplan liggen had om Hitler aan te vallen en heel Europa te veroveren.
Correctie: De Pearl Harbor saga van Sorge is onwaar en nooit bewezen. Waarom ik het dan toch vertel, is omdat het in vele boeken over Richard Sorge zo aangehaald wordt. Het verhaal is ontsproten uit de koker van Hans-Otto Meissner, een Duitse collega van Sorge op de ambassade, toen hij in 1955 het boek “De Zaak Sorge” schreef, een amalgaam van memoires en fictie. Het verhaal is nadien een eigen leven gaan leiden. Natuurlijk is de figuur en de avonturen van Richard en het manische wantrouwen van Stalin, wel de aanleiding om zo’n verhalen te doen ontstaan. Sorge was zo’n charismatische man dat verschillende vrouwen, die een affaire hadden met hem, vele jaren later bij hun ondervraging over de details ervan, terug in vuur en vlam schoten. Feit is wel dat iedereen die hij meetrok in zijn spionnenring de dood injoeg, uitgezonderd het echtpaar Max en Anna Clausen, zijn vertrouwde radiotelegrafist die al zijn berichten doorzond naar Moskou. Tijdens zijn ondervraging waren de Japanners in volle bewondering voor zijn elektronische vindingrijkheid. Zij overleefden de oorlog en werden bevrijd door de geallieerden.
Verleden jaar in juli 2018, overleed de 87-jarige acteur-zanger Tab Hunter. Voor de oudere muziekliefhebbers zal er allicht een belletje rinkelen als ik zeg dat hij de country-single “Young Love” naar de hoogste regionen van Billboard zong en zelfs “Too Much” van Elvis Presley in februari 1957 van de eerste plaats wegduwde, tot diens ergernis, temeer omdat Hunter gebruik had gemaakt van Elvis’ background groep The Jordanaires bij de opname in Nashville. Waarom schrijven over Tab Hunter die voor de meerderheid relatief onbekend is? Omdat hij in menig opzicht een meer dan opmerkelijk levenstraject doorliep als homo in een tijdvak dat deze geaardheid allerminst aanvaard werd. Daarom ook dat hij slechts 5 jaar voor zijn dood trouwde met zijn 28 jaar jongere levenspartner Allan Glaser, in 2013 als 82-jarige, waarmee hij een relatie had van 35 jaar.
Hunter, geboren als Arthur Kelm, als zoon van een Duitse vrouw die in 1927 naar Amerika geëmigreerd was en daar trouwde met Charles Kelm. Arthur had ook een oudere broer Walter die later sneuvelde in de Vietnam oorlog. Het huwelijk was een kort leven beschoren en na de scheiding liet zijn moeder hun namen veranderen naar haar meisjesnaam Gielen. Om in hun onderhoud te voorzien werd zij stewardess op een passagiersschip, maar wegens haar vele afwezigheden, werden de zoons al vlug zeer zelfstandig. In die tijd leerde hij Dick Clayton kennen, een homosexuele acteur, waar hij bij bleef logeren. Clayton introduceerde hem bij de filmagent Henry Willson. Deze laatste was voor vele acteurs de toegangspoort tot een succesvolle acteercarrière, maar hij stond ook bekend als jager op mooie jongens. Tony Curtis zei ooit van hem: “Iedereen die bij hem onder contract kwam, was verplicht zich aan hem sexueel te onderwerpen.” Wilsson was onder de indruk van de hoogblonde, atletisch gebouwde Arthur en liet hem acteerlessen volgen. Willson wijzigde zijn naam in Tab Hunter. Na wat vergeefse pogingen kreeg hij uiteindelijk toch een hoofdrol te pakken en de trein was vertrokken. Als 18-jarige met ontbloot bovenlijf droomden de tienermeisjes van hem, terwijl hijzelf verliefd werd op kunstschaatser Ronnie Robertson. Maar de katholiek opgevoede Hunter worstelde met zijn geweten over zijn homo-inborst en toen hij zijn beklag hierover maakte bij Clayton stelde die hem gerust: “Een penis heeft nu eenmaal geen geweten!”.
Toen hij op een dag terugreed naar huis en onderweg stopte aan het befaamde Chateau Marmont, een hotel dat bekend stond als ontmoetingsplaats voor bekende filmacteurs, ging hij er zwemmen en nadat hij bij het verlaten van het zwembad een handdoek omsloeg, werd hij opgemerkt door Anthony Perkins (bekend van de Hitchcock-thriller Psycho), die hem aansprak, waarna beiden een sexuele verhouding startten, die enkele maanden bleef duren tot beiden in de running waren voor een filmrol en Perkins ermee ging lopen en meteen het einde inluidde van hun relatie. Daarna ontmoette hij filmproducer Allan Glaser dat zijn levenspartner werd tot aan zijn overlijden.
President worden van de grootste natie ter wereld was de ambitieuze droom van Joe Kennedy, de pater familias van de Kennedy-clan. Door zijn twee handicaps werd het hem onmogelijk gemaakt. De eerste handicap was dat hij geen “native born” was, maar een ingeweken Ier. De tweede was zijn katholiek geloof binnen een protestants bastion. Daarom had hij de hoop gekoesterd dat één van zijn zoons dan president zou worden, en daarvoor had hij alles veil, zelfs de medewerking van de onderwereld.
Toen de oudste John (*) van de twee broers (Joe Jr. was intussen overleden) met een nipte meerderheid tot president verkozen werd in de strijd tegen Richard Nixon, kreeg hij fluks de opdracht van zijn vader om zijn tweede zoon Bobby tot de job van minister van Justitie te bombarderen, niettegenstaande die als advokaat nog nooit gepleit had. Deze vorm van nepotisme werd Jack in sommige kringen niet in dank afgenomen en maakte meteen zijn eerste vijanden. Eén van de achterliggende redenen om Jack te laten ruggesteunen door zijn broer was dat Jack altijd al een speelvogel en rokkenjager was en Bobby zou hem daarbij helpen om binnen de juiste banen te houden, wat uiteindelijk lukte want mettertijd dankte hij één voor één zijn maîtresses af en werd hij een voorbeeldige echtgenoot en verantwoordelijke leider. Een sterke en verstandige leider laat zich backuppen door een even sterke stafmedewerker, en dit is hier het geval geweest. Bobby was de brains, zeg maar scenarist, en Jack was de topacteur die evengoed in Hollywood Oscars had kunnen winnen.
Tijdens zijn korte mandaat kwam Jack evenwel in de storm van drie crisissen waarvan één hem het leven zou kosten.
De eerste crisis was eentje die zeker niet te onderschatten was, namelijk de wraakgevoelens van het gekwetste duo Sinatra en Giancana. Sinatra die zich de afgedankte “vriend” voelde en Giancana die vreesde voor zijn leiderspositie in de gangsterwereld, omdat hij onder vuur kwam te liggen van Bobby tijdens hoorzittingen. In dit kader was het gangsterliefje Judith Campbell ook de bedpartner van Jack geworden, wat zijn volgende verkiezing in het gedrang zou gebracht hebben. Jimmy Hoffa de gedagvaarde leider van de corrupte vakbonden en Sam Ganciana werden hiermee potentiële opdrachtgevers voor de moord.
De tweede crisis waren de tribulaties rond de rassenrellen die uitbraken. Zwarten die in de jaren ’60 zich nog altijd minderwaardig behandeld voelden door witte racisten, die zich gesteund voelden door een wetgeving die gedateerd was. Twee feiten gaven de doorslag: de broers forceerden de toelating tot inschrijving van James Hood en Vivian Malone, twee zwarte studenten in de “witte” universiteit van Alabama, door gouverneur Wallace, die de ingang belemmerde, belachelijk te maken en opzij te laten zetten zodat het duo binnen kon gaan voor inschrijving. Kennedy gaf meteen de aanzet voor een wetsvoorstel aangaande burgerrechten dat uiteindelijk zou leiden tot de “Civil Rights Act of 1964”, doorgedrukt door zijn opvolger Lyndon B. Johnson, en die de situatie van de zwarte bevolking zou verbeteren.
De racisten werden bijgeschreven op de lijst van de mogelijke kandidaten voor de moord.
De derde crisis betrof de confrontatie tussen Rusland en Amerika, gekend als het Varkensbaai-incident, met als uitloper de krachtmeting tussen beide leiders, Chroestsjov en Kennedy, waardoor de wereld op een haar na ontsnapte aan een derde (kern)wereldoorlog.
Kennedy lag evenwel zelf aan de basis van deze wereldcrisis. Nadat Fidel Castro de macht in Cuba overgenomen had van de pro-Amerikaanse Battista, nationaliseerde Castro Amerikaanse bedrijven dat Kennedy met lede ogen moest aanzien. Met medewerking van de CIA werd een militaire landing gepland in de Varkensbaai om van daaruit een volksopstand te organiseren tegen Castro’s regime. Deze invasie mislukte volledig en de bedreigde Castro zocht toenadering bij de Sovjet-Unie, met name Nikita Chroestsjov. Deze laatste plaatste kernraketten op het eiland dat amper 150 km(**) van het Amerikaanse vasteland lag. Een bedreiging van jewelste. Castro suggereerde bij Nikita een komende volgende invasie en schilderde aan Nikita een kernaanval voor als wettige zelfverdediging. Nikita was hier zodanig van geschrokken dat hij Castro de les las en meteen overging tot een vergelijk met Kennedy om de dreigende catastrofe af te wenden. Kennedy zou zijn gestationneerde raketten in Turkije terugtrekken in ruil voor de ontmanteling en terugreis van de raketten op Cuba. Met deze afwikkeling in het achterhoofd dachten velen hier de reden te vinden voor de moord, omdat Lee Harvey Oswald, de verdachte marinier communistische sympathieën had en Russische banden via zijn huwelijk met Marina Proesakova. Twijfels bestaan nog altijd omdat Oswald volgens getuigenissen van collega-Mariniers geen beste schutter was.
Zovele jaren later hebben talrijke complottheorieën het daglicht gezien, maar we zullen nooit met volledige zekerheid weten uit welke hoek van deze drie crisissen de moordenaar kwam.
(*) In de Nieuwe Wereld werd John Jack genoemd, Robert werd Bob of Bobby, Charles werd Chuck, Edward werd Ted, Richard werd Dick.
(**) afstand Havanna tot Key West is 100 zeemijl of 161km.
Vraag aan 10 voorbijgangers of ze JJ Cale kennen, en als er ene ja antwoordt, heb je geluk. Cale is een gitaarvirtuoos-songschrijver die geen vedette wilde zijn, maar de grijze muis die teruggetrokken wilde leven van zijn muziek. Hij werd geboren als John Weldon Cale, maar de eigenaar van een nachtclub waar Johnny Rivers optrad, wilde geen twee Johnny’s op de affiche omdat het volgens hem te verwarrend was en stelde toen JJ voor. Toen Cale wat bekendheid kreeg bij kenners, zei hij:” ik ben al veel te beroemd, kijk naar Elton John, die kan al geen hamburgertent meer binnenkomen zonder te worden aangeklampt.” Hij kreeg zijn bekendheid toen Eric Clapton twee liedjes van hem coverde en er wereldhits mee scoorde waardoor het geld binnenbolde. Toen gingen ze op zoek naar die obscure man die in een caravan leefde met zijn VW (kever) die hij gekocht had op maandelijkse afbetaling en platen uitbracht op een onbenullig label Shelter, dat eigenaar Denny Cordell later opdoekte nadat hij de cataloog doorverkocht had aan Mercury dat op zijn beurt opgeslokt werd door gigant Polygram. In de jaren ‘80 van vorige eeuw trok Cale zoals Randy Newman zich terug uit de rockmuziek die ze overgeproduceerd vonden door het gebruik van synthesizers en de creatie overgenomen was door klanktovenaars in studio’s. Hij vluchtte in de anonimiteit en verhuisde met zijn trailer om de platenindustrie te mijden. Nadat die rage overwaaide keerde hij terug.
Toen zijn eerste elpee aansloeg, zat de maatschappij aan zijn hoofd te zeuren voor een opvolger en dat zinde de man niet. Hij wilde niet meespelen in een wereld van stress, competitie en opgefokte luxe. Hij had dan ook het geluk van een levenspartner te ontmoeten die meeging in zijn “way of life”, Christine Lakeland die eerst gitarist-toetsenist-percussionist was in zijn begeleidingsgroep. Cale wilde een muzikant zijn die kon leven van zijn muziek, maar vooral geen zanger wilde zijn omdat die op de voorgrond van het podium in de schijnwerpers stond. Hij weigerde dan ook te playbacken op tv toen hij wat succes kreeg.
Cale zei van zichzelf dat hij een expert was in het nietsdoen. “ ik ben een groot deel van mijn leven halftijds in pensioen geweest”. Telefoon was niet aan hem besteed, want dan konden ze hem lastig vallen voor een nieuwe plaat. Alleen standgeld betalen voor zijn caravan, zo weinig mogelijk onderhoud en kleine verplaatsingen met zijn fiets, maw weinig of geen verantwoordelijkheid was zijn deel.
Hij hield ervan rond te trekken met zijn mobilhome, mensen te ontmoeten en hier en daar een mini-optreden te doen. Zo was touren voor hem een ontspanning. En als ze hem vroegen waarom hij zo weinig meespeelde met zijn collega’s lachte hij: “ze kunnen mij niet bellen hé”.
Clapton wilde hem een wederdienst bewijzen voor de aangeleverde hits en stelde John voor om samen een cd op te nemen dat “The Road to Escondido” werd en Cale een Grammy opleverde. Voor Cale een blijk van hun vriendschap. Ieder ander zou zo’n wereld-“award “ op zijn schouw zetten, niet zo voor Cale: zit nog altijd proper opgeborgen in de doos waarin hij ze in ontvangst mocht nemen.
Na zijn overlijden vernam ik dat hij nog in de Antwerpse Elisabethzaal heeft opgetreden zonder dat ik het wist. Ook weer een bewijs dat er weinig promo gemaakt werd rond zijn persoon.
Ken je zijn songs niet dan beveel ik aan om toch eens een compilatie-cd te kopen of op zijn minst eens te luisteren naar “Time Pieces” van Eric Clapton waarop “After Midnight” en “Cocaïne” staan , dat minstens 15 miljoen keer over de toonbank ging.
Alan Freed, fraudeur of slachtoffer van een samenzwering?
Als we spreken over corruptie in de muziekbusiness denkt iedereen spontaan aan Payola en Alan Freed omdat deze namen eind jaren ’50 volop koppen in de nieuwsbladen haalden. Maar als we naar de kern gaan van dit payola-schandaal dat niet het eerste was, vinden we dat er heel wat meer “stront” aan de knikker was.
De benaming payola komt voor de eerste keer in het nieuws in 1916 toen het blad Variety op de frontpagina gewag maakte van een wijdverspreide praktijk van beïnvloeding gekoppeld aan financiële profijten of voordelen in natura om muziek te verkopen. Zangers, performers, werden beloond met drank, dineetjes en giften om hun setlist aan te passen met liedjes aangebracht door “pluggers”, waardoor de bladmuziek van die songs beter begon te verkopen. Na deze publicatie waarbij Variety volledig neutraal was, hield de payola plots op tot in 1934 opnieuw een melding gemaakt werd van payola waar ASCAP bij betrokken was, toen Harry Richman en Paul Whiteman (bekend voor zijn uitvoering van Gershwins’ Rapsody in Blue) financiële bijdragen kregen van ASCAP om bepaalde songs uit te voeren. ASCAP werd onder druk gezet om te stoppen wat dan ook gebeurde met tegenzin. ASCAP (afkorting voor American Society of Composers, Authors and Publishers) was de eerste organisatie die opgericht werd ter bescherming van het auteursrecht van haar leden en kreeg later de concurrentie van BMI (Broadcast Music Incorporated) en SESAC (Society of European Stage Authors and Composers). En deze concurrentiële positie speelt een belangrijke rol in het Freed-payola schandaal.
Eén van ASCAP vertegenwoordigers was Mitch Miller, bekend van Colonel Bogey March (in het vlaams: charel, ik heb uw gat gezien) en fervent tegenstander van het opkomende muziekgenre Rock’n Roll, waarvan Alan Freed de enthousiaste promotor was via zijn disk-jockey baan bij de radio. Freed had begin 1958 het plan opgevat om een keten van rock and roll nachtclubs te openen als verlengstuk van zijn theater rock shows om zijn inkomsten te vergroten (wat uiteindelijk niet doorging als gevolg van zijn neergang). Volwassenen zagen in zijn shows voor de jeugd een bron van herrie, anarchie, een orgie van drank en seks en bij één van zijn shows eiste het Katholieke Aartsbisdom daarom meer politie om het gebeuren te begeleiden en Freed trok het in het belachelijke door tegen zijn publiek bij de aankondiging te zeggen: “de politie willen niet dat ge jullie amuseert”, met als gevolg dat hij ter plaatse gearresteerd werd. Freeds’ zoon getuigt dat zijn vader “erop gelegd” werd en dat hij het slachtoffer is van de gevestigde orde. Tevens werd Freed beschouwd als de leider van een beweging die BMI meer succes en bewegingsruimte gaf door meer songs te spelen en te promoten van BMI dan van ASCAP. Communicatiedocumenten tussen de FBI en het Aartsbisdom zijn boven water gekomen waarin letterlijk stond: “Nu kunnen we hem pakken”. ASCAP sprong mee op de wagen, met Miller als woordvoerder, die op een samenkomst van de top 40 disk jockeys van de gelegenheid gebruik maakte om een steentje te gooien in de poel door te spreken over mogelijke payolapraktijken bij sommigen onder hen. Freed nam deze aanval persoonlijk op en ging ermee naar de pers. Miller, de voorvechter van de klassieke school, die ook Rock and Roll bezag als een voorbijgaand tijdelijk fenomeen, wilde hier ook Freeds’ concurrent-dj’s naar zich toehalen. Tegelijkertijd weigerde Freed nog langer Columbia platen in zijn radioprogramma’s te draaien, wat WINS het radiostation waarvoor hij werkte niet mee akkoord kon gaan en hij ontslagen werd en WINS niks meer met hem wilde te maken hebben. Kort daarop ging Miller met een ander verhaal naar de pers: Freed had geweigerd The Four Lads op te nemen in zijn tv-show tenzij ze publiceerrechten wilden delen met hem. Freed ging nu in dienst bij WABC radio maar Miller ging voort met zijn heksenjacht door in Bilboard te verklaren dat payola ongebreideld toegepast werd in de muziekindustrie maar dat Columbia (zijn platenlabel) weigerde mee te doen met deze praktijken. Het “payola”schandaal was evenwel de tweede aanval van ASCAP op BMI. (ASCAP kende het klappen van de zweep, lees hiervoor).
Chapter One zoals ze in Amerika zeggen, ging over de Hollywood film industrie, waar 2 fracties in botsing kwamen met mekaar. The “Old” school die bestond uit de studio-moguls van de harde lijn, die vertegenwoordigd werd door Ronald Reagan en “New” Hollywood, of de onafhankelijken, die in opkomst waren, en die verdacht werden van communisten te hebben onder zijn leden. Het congres begon een serie van hoorzittingen en wilden koppen laten rollen en liet een “blacklist” circuleren van artiesten met communistische sympathieën. Wie mee opgeroepen werden waren de orkestleider Artie Shaw, de radio “folk” personaliteit John Henry Faulk en de folk zangers Lee Hays en Pete Seeger (leden van The Weavers, die de millionseller “Goodnight Irene” van BMI op hun actief hadden. Het gevolg van deze hoorzitting was dat The Weavers ontslagen werden door hun platenlabel Decca, en op een blacklist kwamen te staan om nog verder opnamen te mogen doen. Deze zet was ook de oorzaak dat de acceptatie van folk muziek door het grote publiek met bijna 10 jaar uitgesteld was….tot Bob Dylan op het toneel verscheen.
Vervolgens was er nog een tweede akkefietje waar ASCAP een vinger in de pap had en dat waren tv-quizzen, op het scherm gebracht door het duo Barry en Enright, die ook een paar radiostations in bezit hadden. Hun shows werden gesponsord door Revlon. ASCAP zag hier ook een kans om “de rug van BMI” te breken door hen verdacht te maken van de vragen op voorhand door te spelen aan een kandidaat (Charles Van Doren) omdat die “goodlooking” en populair was bij het publiek. Hun verf pakte en Revlon stopte met geld in hun shows te pompen.
Freed was het slachtoffer van ASCAP die verwoede pogingen ondernam om zijn oude monopoliepositie te herwinnen. Freed was evenwel niet de enige DJ die zijn broodwinning ontnomen werd, er volgden meerdere in het land maar hij was de bekendste. Hij geraakte nergens meer binnen maar in hun haat gingen ze nog verder en gingen achteraan zijn vroegere vennoten zoals Morris Levy. De onderzoekscommissie ging nog verder om te weten waar het geld vandaan kwam waarmee dj’s betaald werden. Zo kwamen ze uit bij Frankie Lymon, een 13-jarige zanger met een fantastische stem die de platenmaatschappij veel geld in het laatje bracht, maar wat bleek: op het toppunt van zijn carrière kreeg hij 25 dollar per week en de rest werd op een rekening geplaatst “voor zijn eigen goed” tot hij meerderjarig zou worden! Naderhand is uitgekomen dat die rekening nooit bestaan heeft.
Het stof is gaan liggen begin 1960 toen de hoofdrolspelers van het toneel verdwenen waren: Buddy Holly stierf in een vliegtuigongeval, Jerry Lee Lewis’ carrière was tijdelijk voorbij door zijn huwelijk met zijn 13-jarig nichtje, Chuck Berry zat in de cel voor verkrachting van een minderjarige, en Little Richard had zich omgeschakeld naar de gospel.
De hitparade werd aangevoerd door Percy Faith’s “a summer place”, de Everly’s, Preston, Mark Dining, Connie Francis en The Drifters vulden aan, maar vooral Elvis Presley Music was toegetreden tot de ASCAP stal !!!
Rock and Roll lag voorlopig op apegapen . En toen kwam de Britse beatsensatie nog overwaaien. ASCAP en Miller hadden hun doel bereikt.
Freed geraakte aan lager wal en overleed in 1965 op 43-jarige leeftijd aan nierbeschadiging en levercirrose als gevolg van zijn overmatig drankgebruik.
De evolutietheorie wordt toegeschreven aan Charles Darwin, maar weinigen weten dat totaal onafhankelijk van hem een andere Britse onderzoeker Alfred Wallace tot dezelfde bevindingen kwam, door zijn natuuronderzoeken op de Indonesische archipel, op dezelfde moment dat Darwin met de Beagle de verschillende werelddelen afreisde.
Thuisgekomen begon Darwin zijn resultaten op papier te zetten en collega’s maanden hem tot spoed aan om het te publiceren. Groot was dan ook zijn verwondering toen hij een postpakket in ontvangst nam dat Wallace hem opstuurde, waarin dezelfde ideeën te lezen stonden, weliswaar minder uitgewerkt dan Darwin het deed. Bovendien maakte Wallace minder kans om met de eer te gaan lopen omdat Darwin zeer bemiddeld was, machtige vrienden had en lid was (later voorzitter) van de Royal Society en nog andere verenigingen. Mocht Wallace de originaliteit van de evolutietheorie opgeëist hebben, zou Darwin het niet betwist hebben, maar zouden zijn vrienden dat wel gedaan hebben voor hem. Maar Wallace erkende dat de eerste ideeën van Darwin kwamen en daarmee was de kous af.
De leer van Darwin omvatte tweeduizend bladzijden, maar zijn uitgever bood hem eerst een publicatie aan van driehonderd bladzijden om het leesbaarder te houden.(*) Darwin vond het onvoldoende en ging over tot uitgifte van een boek, waarvan de eerste editie binnen de kortste keren uitverkocht was.
Maar zoals altijd met nieuwe theorieën of uitvindingen komen die onmiddellijk onder vuur te liggen van conservatieve geleerden, bij deze niet in het minst door de katholieke kerk omdat die hiermee het bestaan van hun Grote Schepper betwistte. Ondermeer daarom ging hij de plaats van de mens in zijn theorie uit de weg, door dat hoofdstuk niet aan te snijden om de discussies te beperken. Wat het hem extra moeilijk maakte was dat er op die moment nog totaal geen bewijzen voorhanden waren om zijn leer te staven (Einstein onderging hetzelfde moeilijk parcours).
De kritieken waren meestal ernstig, soms grappig zoals bij Jenkin, een schot die stelde dat overlevingskansen van de sterkste op de helling kwam te staan door vermenging van rassen (zoals bij whisky😜). De kritiek van Lord Kelvin (=William Thompson) raakte Darwin meer omdat die het argument van de ouderdom van de aarde in stelling bracht. Uiteindelijk zou de tijd Darwin én Wallace gelijk geven naarmate meer en meer bewijzen boven water kwamen onder de vorm van dierlijke en menselijke fossielen. Bovendien kwam de uitvinding over halfwaardetijden van uranium door Marie Curie en ook de leer van Mendel hen te hulp. Momenteel wordt de evolutietheorie algemeen aanvaard, behalve door religies die de intellectuele ontwikkeling van hun aanhangers willen belemmeren om hen onder kontrole te houden.
(*) Om dezelfde reden beperk ik mijn artikels tot hoogstens twee bladzijden.
Bron: De Evolutie van het Darwinisme door Roger Deckmyn
Beantwoorden