De gelijkenissen tussen James Last en Dave Bartholomew

Beide muzikanten waren ambitieus om naam en fortuin te maken in de amusementswereld, waarin ze allebei meer dan geslaagd zijn, Last als basgitarist die zich later ontpopte tot een orkestleider die populaire hits herwerkte als ambiancemakers, zie zelfs muziek-analfabeten van hun stoel kregen om de dansvloer onveilig te maken. Bartholomew als trompettist die als solo-artiest geen voet aan de grond kreeg om het beoogde succes te bereiken, tot hij kennismaakte met Fats Domino, “a match made in heaven” zoals gezegd en als een duo de top bereikt. Toch eerst even terug in de tijd om hun beginperiode te schetsen.

Na een paar omzwervingen in de jazz-wereld vormde hij met zijn neus voor muzikaal talent een groep die de huisband werd van Imperial Records. Naast componist en bandleader werd hij ook talentscout voor het label en engageerde zo naast Fats Domino ook Smiley Lewis (One Night of Sin), Lloyd Price (Personality), Frankie Ford (Sea Cruise), Chris Kenner (Sick and Tired), Shirley Lee (Let the Good Times roll). Als componist vormde hij met Fats Domino een team die ontelbare hits uit hun hoed toverden: Ain’t that a shame, I’m Walkin’, The Fat Man, I’m in love again, So Long, Valley of Tears, My Girl Josephine, om het bij de bekendste te houden. Andere artiesten wisten ook zijn composities te smaken door ze te coveren: Elvis (Witchcraft en One Night) en vooral Chuck Berry die met Dave’s My Ding-a-Ling zijn enige nummer één hit in de UK haalde.

Zelf heb ik de man tweemaal mogen meemaken als frontman van het Fats Domino combo, waarbij hij met zijn zakdoek vooraan de vliegen wegjoeg en er af en toe zijn zweet mee afkuiste. Eén keer heb ik hem trompet weten spelen, meestal met één hand, in de andere hand zijn zakdoek natuurlijk. Een opmerkelijk man, die door Fats Domino mee kon genieten van het succes tijdens hun tournees en uiteindelijk op de voorgrond kon treden door als zogezegde “dirigent” het publiek mee opzweepte. En daar begint de gelijkenis met James Last, die hetzelfde deed, maar dan zonder zakdoek.

Last, een geboren Duitser die Hans heette, maar zijn naam gewijzigd zag door zijn platenmaatschappij,  toen hij begon populair te worden in James, om internationaal meer “touch” te krijgen. Drie jaar op rij behaalde hij de titel van beste jazzbassist in Duitsland. Maar zijn ambitie ging verder dan louter muzikant te zijn in een orkest en al vlug begon hij te componeren o.a. voor Freddy Quinn, die bij het Polydor label zat. Zo kreeg Last een exclusiviteitscontract en vormde zijn eigen orkest waarmee hij de “Happy Party Sound” ontwikkelde en in 1965 zijn lp “Non Stop Dancing” de hit-parade bereikte. Dit was de start van een hele reeks hit-lp’s gevuld met bestaande hits, waar hij een ambiance-sausje overgoot en met succes. Als componist gingen zijn songs wereldwijd, met als bekendste: Lingerin’ On, Games That Lovers Play. Met zijn eigen orkest scoorde hij een monsterhit met Biscaya.

Nu, zoals gezegd, de gelijkenis met Bartholomew, de molenwiekende frontman die hier zijn succes niet moest delen met een solo-artiest maar met een heel orkest, waarvan je zag dat de leden naast inspanningen, plezier vonden in hun optredens. James deed er nog een schep bovenop door hen aan te vuren om speelse sprongen te maken. Hij gunde zijn “vrienden” ook solo’s, waarbij hijzelf opzij ging staan en zelf stond te genieten van de muziek.