Steve Rowland acteur, auteur, zanger en producer

Steve Rowland wordt in 1932 geboren in Los Angeles, als zoon van de filmregisseur Roy Rowland en Ruth Cummings, een nicht van filmproducent Louis B. Mayer. Hij groeit op in het rijke luxe Beverly Hills en verkeert in de kringen van Elvis Presley, Steve McQueen, James Dean, Natalie Wood, Marilyn Monroe en Marlon Brando, waarover hij in zijn latere jaren het boek schrijft: “Hollywood Heat: Untold Stories of 1950s Hollywood”. Op de middelbare school leerde hij Judy Lewis (1935-2011), zijn jeugdliefde kennen waarmee hij huwde. Judy was de buitenechtelijke dochter van het acteurskoppel Clark Gable en Loretta Young, tijdens de verfilming van “The Call of the Wild”. Gable was toen getrouwd met Ria Langham en Young was gescheiden. Judy werd geplaatst en later geadopteerd door haar moeder die later trouwde met Tom Lewis, wiens naam ze kreeg.

Zo rolde Rowland in het filmmilieu, waar hij bijrollen speelde Bonanza en in het origineel van The Thin Red Line. Maar laat ik Steve zelf aan het woord:

“Ik verliet Hollywood in 1963 voor een bijrol in de Spaanse film “Gunfighters of Casa Grande”. Vier films later – waaronder “Battle of the Bulge” (Ardennenoffensief) – besloot ik dat ik geen acteur meer wilde zijn; ik wilde zanger worden,” vertelde Rowland. Hij moest naar Spanje voor een verfilming en richtte daar een bandje op, Los Flaps maar de Britse muziekindustrie trekt hem aan en hij vertrekt naar Londen. “Toen ik in Engeland was, kwam ik op straat iemand tegen… en ik had mijn demo’s bij me. Hij vroeg: ‘Zijn dat je demo’s?’ Ik zei: ‘Ja’, en hij stelde voor: ‘Zal ik je manager worden als ik een contract voor je kan regelen?’

“Hij nam me mee naar Fontana Records en stelde me voor aan Dick Leahy. Dick Leahy was assistent van het hoofd A&R bij Fontana Records, Jack Baverstock. Jack was een nogal norse man. Hij ontving zelden mensen; je moest altijd een afspraak maken. Het gesprek was altijd kort en je stond zo weer buiten. De dag dat ik hem ontmoette, kwam dat doordat iemand anders zijn afspraak had afgezegd. We lieten de opnames aan Jack Baverstock horen; hij was onder de indruk en wilde me onder contract nemen, maar hij glimlachte nooit. De volgende dag kwam het hoofdkantoor in actie en werd ik het land uitgezet, terug naar Spanje.”

Een vrouw (een vriendin van Baverstock) met wie Rowland een korte romance had gehad, wist wat touwtjes in beweging te zetten, waarna Baverstock een werkvergunning voor Rowland in het Verenigd Koninkrijk regelde. Al snel bracht Baverstock Rowland echter op de hoogte van wat aanvankelijk slecht nieuws leek.

“Hij zei: ‘We hebben een probleem: je mag geen zanger zijn. Heb je ooit platen geproduceerd?’ Ik antwoordde: ‘Ja, sterker nog: ik had een klein hitje in Los Angeles, “Out Riding”, waarbij ik zelf drumde en de productie deed. Ik weet er wel iets van af,’ herinnerde Rowland zich. “Hij zei: ‘Nou, ik heb ze verteld dat ik jou producer ga maken. Je bent Amerikaan; …je gaat een paar platen voor ons produceren om naar de Verenigde Staten te exporteren.’

“Toen stelde hij me voor aan een band genaamd Dave Dee and the Bostons; ze hadden twee waardeloze managers. Het waren briljante liedjesschrijvers (Alan Blaikley en Ken Howard) en de eerste plaat die we maakten heette ‘Hold Tight!’; dertien hits later zei het hoofdkantoor: ‘Oké, je krijgt een visum voor vijf jaar om hier te blijven.’ Plotseling was ik producer in Engeland, had ik mijn eigen groep en was ik de leadzanger van Family Dogg (waarvan Albert Hammond en Mike Hazlewood deel uitmaakten). Vanaf dat moment ging het hard.” Rowland ontdekte later ook Peter Frampton en The Herd.

Uiteindelijk stuitte Rowland op Sixto Rodriguez en bood hij aan diens tweede album te produceren: “Coming From Reality”, uitgebracht in 1971. Beide albums van Rodriguez waren commerciële flops, maar werden later op grote schaal illegaal gekopieerd in Zuid-Afrika. Ze vormden uiteindelijk de soundtrack voor de strijd tegen apartheid in dat land, en Rodriguez verwierf in eigen land alsnog erkenning dankzij de documentaire “Searching for Sugar Man” uit 2012. Er was meteen een klik tussen Rodriguez en Rowland, en hoewel “Coming From Reality” commercieel gezien mislukte, nam Family Dogg toch zes van zijn nummers op. Hoe deden zijn nummers het bij Family Dogg?

“Lovende kritieken, echt lovend,” zei hij. “Men dacht dat ik ze geschreven had – ook al was Rodriguez de auteur – en ze dachten zelfs dat ik echt Rodriguez heette. Mijn album deed het best goed en ik dacht: ‘Tja, ik kan wel zingen, maar ik ben geen geweldige zanger… en zij zijn lyrisch over de nummers, maar wilden niet eens naar Rodriguez luisteren?’”

“Daarna verloor ik hem uit het oog. Het was 2006 toen mijn telefoon ging. Het was een Zweedse filmmaker die een documentaire over Rodriguez aan het maken was.”

Rowland vertelde dat hij in gesprek is geweest met Rodriguez over het produceren van diens derde album, dat er uiteindelijk niet is gekomen.

“Van alle artiesten met wie ik heb gewerkt, vind ik hem de beste,” zei Rowland. “Er zijn geweldige artiesten, maar voor mij is hij de beste. Dat niemand dat destijds doorhad, vind ik waanzinnig.” Rowland had één advies voor muzikanten.

“Veel (intellectuele) artiesten willen niet commercieel zijn; ze willen ‘geloofwaardig’ zijn. Ik had daar vroeger voortdurend discussies over met artiesten, omdat ze per se die geloofwaardigheid wilden,” zei hij. “Platenmaatschappijen dreigden er destijds mee een artiest te laten vallen als die niet met een plaat kwam die de hitlijsten haalde. Als ze de plaat zelf betalen, mogen ze doen wat ze willen. Maar als de platenmaatschappij betaalt, willen die rendement zien. Je moet beide kanten van de zaak bekijken. Ik probeerde muzikanten vaak duidelijk te maken: ‘Hé, wil je wat geld verdienen?’ en dan zeiden ze ‘Ja!’, want ze waren altijd wel uit op geld. Ik vertelde ze dan dat dat niet kon zolang ze niet commercieel gingen werken… Als je probeert geloofwaardig te zijn maar niemand koopt je muziek, beperkt die geloofwaardigheid zich tot je eigen kleine kringetje. Iedereen roept dan: ‘Ja, goed man! Verkoop jezelf niet!’ Maar platen kopen ze niet.”

Rowland (94) is weduwnaar en woont in Palm Springs met een hondje dat, naar eigen zeggen, “het huis heeft gevuld met de geest van mijn overleden vrouw.” Hij heeft ook te maken gehad met blessures door motorcrossen en skiën; hij loopt met een zichtbare mankpoot.

“Als motorcrosser was ik middelmatig. Als skiër was ik middelmatig. Als kartracer was ik middelmatig. Je kunt dat soort dingen niet doen tenzij je ze tot de prioriteit van je leven maakt,” zei Rowland. “Al het andere moet op de tweede plaats komen, want je moet er hard voor werken. De mannen die kampioenschappen winnen in deze sporten, doen dat niet per ongeluk; het is het resultaat van keihard werken.”

Hoe kwam Rowland in Palm Springs terecht na veertig jaar in het Verenigd Koninkrijk?

“Toen ik jong was, namen mijn ouders me er vaak mee naartoe; we verbleven dan in de oude La Quinta Inn en dat was me bijgebleven. Het weer in Engeland was zo verdomd koud en ellendig, dat ik dacht: ‘Ik ga terug naar Los Angeles.’ Ik had hier een vriend en kwam die kant op. Het beviel me wel, al wist ik dat het er ’s zomers heet is. Dus vertrok ik weer en zei: ‘Ik ga een plekje zoeken in Palm Springs.” En hier brengt hij zijn oude dag door.