Hoe een dubbeltje rollen kan…

Mijn beroepsleven speelde zich grotendeels af in de voedingsnijverheid ttz in twee bedrijven die in Vlaanderen bekend stonden als Clark’s Gum en Côte d’Or. Maar weinigen weten hoe dat ene Amerikaans bedrijf en dat andere Belgisch bedrijf in handen kwamen van multinationals en beide zelfs even in handen van dezelfde sigarettenfabrikant Philip Morris, omdat die de hete adem voelde van advocaten die financiële claims ingezet door familieleden van overleden kankerpatiënten tengevolge van hun verslaving aan de sigaret. Daarom wilden de aandeelhouders hun kapitaal veilig stellen en diversifiëren maw risicospreiding.

Maar laten we starten bij het begin, Clark’s Gum. In de hete zomer van 1976 kwam ik in dienst als supervisor van een inpakafdeling met gemiddeld 70 vrouwen en 10 mekaniekers als personeelsbestand in een afdeling gevestigd in Bornem, Klein-Brabant.

Clark Gum werd in België bekendgemaakt door de Amerikaanse G.I.s met hun Tendermint kauwgom, die ze meebrachten naar ons tijdens de Tweede Wereldoorlog en vanaf 1946 naar ons land geëxporteerd werd. De vlug aangroeiende exporten van Clark’s Gum naar Belgie waren de oorzaak om een fabriek op te richten in Europa. De beslissing om een Bornemse fabriek te bouwen vloeide voort uit het succes van verkoop van Tendermint in België. Bijkomende argumenten waren dat België centraal gelegen was in de toenmalige Europese Economische Gemeenschap (EEG) én de Belgische mentaliteit (zeg maar de Vlaamse): Vice-President John F. Morrissey zei “we werden getroffen door de vriendelijkheid van de mensen, hun traditioneel hard werken en hun vakmanschap”. En vanaf het begin van de operatie kregen ze van de Belgische regering volledige medewerking. Bijgevolg werkten ze met uitsluitend Vlaams personeel, uitgezonderd hun directeur Mr. Weed. De productie was naast de verkoop in België, ook voor uitvoer naar Holland, West-Duitsland, Frankrijk, Zwitserland en Italië. Zelf heb ik nog laten produceren voor de UK.

Screenshot

Maar zoals reeds gezegd, Philip Morris eigende zich Clark Bros Chewing Gum U.S.A. toe waartoe de Bornemse vestiging ook behoorde. En na de oliecrisis drong zich uit financiële overwegingen de synergetisch politiek op om te fusioneren en werd de Rotterdamse vestiging opgedoekt en overgebracht naar Bornem.

Toen kwam die andere multinational in beeld: Warner-Lambert die ook de farmaceutisch fabriek Parke-Davis in handen had en een aandeel in nog een farmaceut Capsugel. Deze drie entiteiten lagen aan beide kanten van de Rijksweg. Tijdens mijn laatste jaren bij Clark’s Gum was er sprake om de Spaanse afdeling in Barcelona ook over te plaatsen naar Bornem. Zelf heb ik die fabriek nog bezocht om te bekijken wat er kon overgebracht worden, maar de vakbonden hebben het in de tegengestelde richting geduwd en na een paar jaren later was de sluiting van Bornem een feit.

Maar in 1989 verliet ik Clark’s Gum om te beginnen bij Côte d’Or, toen al in handen van de Zwitserse chocolade- en koffie-gigant Jacobs Suchard. Maar in 2001 kwam het bedrijf in handen van Kraft Foods, dat een onderdeel was van…Philip Morris. (de cirkel was rond).

Maar laat mij nu eerst opnieuw beginnen bij de start van het bedrijf Côte d’Or, dat in 1870 opgericht werd door Charles Neuhaus die in 1883 het merk “Chocolade de Côte d’Or” deponeert. In 1889 neemt de familie Bieswal de zaak over en vestigt zich in de Paleizenstraat in Brussel, waar de overgrootvader van Baudouin Michiels als banketbakker ook een stek had. In 1899 werd de straat onteigend en kochten de twee samen het pand in de Bara-straat aan het Zuidstation, ook bekend als de Midi. Daar heb ik nog één jaar gezeten nadat alles verhuisd werd naar een splinternieuwe fabriek in een industriezone in Halle naast de alombekende Colruyt. Beide fabrieken hadden (nu misschien nog?) daar nog een gemeenschappelijk waterzuiveringsstation. Ten tijde van het beheersschap van de familie Michiels-Bieswal was Côte d’Or de hofleverancier van ons koningshuis, maar omdat deze titel persoonsgebonden is, verloor het merk deze privilege nadat het overgenomen was door Jacobs-Suchard. Zelf heb ik de zoons uit de vierde generatie nog gekend: Baudouin Michiels was de marketeer-verkoper terwijl Michel Bieswal de techneut was die sleutelde aan de machines.

Nu nog even iets over het ontstaan van de “olifant”, het sterke merksymbool. De inspiratie voor de merknaam lag in Ghana. Tot in 1957 was het een Britse kolonie onder de naam Gold Coast. Neuhaus haalde een deel van zijn cacaobonen in de Côte d’Or en zo was de naam geboren. Maar de overgrootvader van Baudouin Michiels had een bijzondere fascinatie voor alles wat exotisch was. Hij keek altijd uit naar de postzegels op de brieven die hij ontving uit Afrika. Op een dag prijkte op een brief met factuur uit Ghana een postzegel met een olifant, piramide en een palmboom. Dit is het moet hij gedacht hebben en zoveel jaren later kennen we nog de “olifant” en zal hij nog veel verjaardagen meemaken.

Tijdens mijn laatste jaar voor mijn pensionering was de firma weer overgenomen door Mondelez en later werd de productie-unit overgenomen door Callebaut uit Wieze, en de andere koekjes-productiefabriek (LU) in Herentals nog actief blijft onder Mondelez. Alle andere chocoladeproducties werden afgestoten en getransplanteerd naar de Oost-Europese landen omwille van de lagere loonkosten.